Nuances in de huurbescherming
Hoe wordt er in rechte een oplossing gevonden voor problemen die rijzen met betrekking tot gemengde overeenkomsten, zoals franchise-overeenkomsten die huurbepalingen bevatten?
Er is altijd veel discussie geweest over de vraag welke rechtsregels op gemengde overeenkomsten van toepassing zijn. Hiervoor waren drie belangrijke theorieën van toepassing. Allereerst de absorptietheorie, waarbij uitgangspunt was dat de bepaling van het type contract dat binnen het gemengde contract overheersend was op het gehele gemengde contract toegepast werden. Ten tweede was er de sui generis theorie die er vanuit ging dat het gemengde contract een geheel eigen karakter had en derhalve beschouwd diende te worden als een onbenoemd contract waar slechts de algemene, voor alle overeenkomsten geldende regels, op van toepassing waren. Ten slotte was er de cumulatietheorie die uitging van het naast elkaar toepassen van de kenmerkende bepalingen van alle in de gemengde overeenkomst te onderscheiden karakteristieke elementen van onderscheiden contracten.
Op 1 januari 1992 is artikel 6:215 van het Burgerlijk Wetboek in werking getreden. Dit artikel luidt als volgt: “Voldoet een overeenkomst aan de omschrijving van twee of meer door de wet geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten, dan zijn de voor elk van die soorten gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst van toepassing, behoudens voor zover deze bepalingen niet wel verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet”. De wetgever heeft met deze wettekst aldus gekozen voor de hoofdregel van de cumulatietheorie, omdat hiermee wordt uitgegaan van het naast elkaar toepassen van die bepalingen van alle in gemengde overeenkomst te onderscheiden contracten die van toepassing zijn.
Hierbij dient opgemerkt te worden dat de uitzondering die in artikel 6:215 BW genoemd wordt, wel eens belangrijker zou kunnen zijn dan de hoofdregel. Het artikel wil in die zin aldus niet meer geven dat een vuistregel waarvan afgeweken kan worden. De bedoeling van het artikel lijkt dan ook dat de rechter een grote vrijheid dient te genieten in de interpretatie van gemengde overeenkomsten, waarbij hem de hoofdregel van cumulatie als leidraad gegeven wordt.
Indien er sprake is van een gemengde overeenkomst welke veel dwingende huurrechtelijke bepalingen bevat, zoals een franchise-overeenkomst met huurbepalingen, is er een gerede kans dat deze dwingende huurrechtelijke bepalingen naast andere (dwingende) bepalingen worden toegepast.
Het is evenwel ook mogelijk dat dwingende huurrechtelijke bepalingen terzijde worden geschoven ten gunste van andere dwingendrechtelijke bepalingen. De kans hierop is zelf toegenomen omdat het huurrecht enige tijd geleden gewijzigd is. Dit betekent feitelijk dat een franchisenemer in de toekomst mogelijk minder snel een beroep kan doen op dwingende huurrechtelijke bepalingen indien de franchiseovereenkomst tussentijds beëindigd wordt door de franchisegever.
Voor informatie: Theodoor Ludwig of Derk van Dam
Ludwig & Van Dam advocaten
Koningin Emmaplein 7, 3016 AA Rotterdam
Telefoon: 010 – 2415777, fax 010 - 2415770
www.ludwig-vandam.nl
e-mail: lvd@ludwig-vandam.nl









